Opkomst van handel en ontstaan van steden

Vanaf het jaar 1000 spreken we van het tijdvak van de steden en staten. Nederland viel in deze tweede deel van de Middeleeuwen onder de heerschappij van het Heilige Roomse Rijk. Dit rijk ontstond in 962 uit het oostelijke gedeelte van het Frankische rijk en had Otto I als eerste koning. In dit tijdvak waarin het Heilige Roomse Rijk regeerde ontstonden vele steden en groeiden de bestaande steden.

De steden konden groeien omdat de Nederlanden ongeveer vanaf het jaar 1000 niet meer werd aangevallen door agressieve volken zoals Hunnen en Vikingen. Ook steeg de voedselproductie. Boeren gebruikten nu bijvoorbeeld andere trekdieren om de ploeg te trekken. Voorheen gebruikten ze meestal ossen. Nu gebruikten ze paarden. Zo ging het werken op het land sneller. Ook vonden ze een verbeterde versie van de ploeg uit. Een andere reden waardoor de oogst groter werd kwam door de invoering van het drieslagstelsel. Dit betekende dat ze de grond eens in de drie jaar braak liet liggen. Het was een belangrijke uitvinding in de geschiedenis. De grond was zo het vruchtbaarst en leverde dus het meeste op. Ze deelden hun grond in drieën, en zaaiden tweederde deel in. Het jaar er na werd het braakliggende land weer ingezaaid en werd een ander deel braak gelegd. Dit was de meest gunstige en productieve manier van rouleren met braakliggend land. Voorheen lieten ze namelijk de helft van hun land braak liggen. Ook kwam er in de elfde en twaalfde eeuw nieuw landbouwgrond bij door het droogleggen van moerassen en het indijken van stukken land aan zee. Ook werden bossen gekapt om te bebouwen.

De boeren konden hun goederen gaan verhandelen. Ze verkochten groenten, graan, vlees, wijn of wol op de markt. Deze werd meestal gehouden op plaatsen waar verschillende wegen elkaar kruisten. Op zo’n plek kon een stad ontstaan. Omdat hier ook mensen waren die de producten van de boeren konden verwerken. Deze mensen waren ambachtslieden. Zij waren bijvoorbeeld bakker, wever, timmerman of smid. De ambachtslieden waren lid van hun eigen vereniging. Deze verenigingen noemen we gilden. In de gilden werden jonge jongens opgeleid tot ambachtsman.

De belangrijkste handelssteden in deze tijd noemen we Hanzesteden. Een Hanze is een Middeleeuws samenwerkingsverband van handelaren en steden. In deze steden werd niet alleen de lokale oogst verkocht. Er werden ook producten uit het buitenland ingevoerd en verkocht. Brugge is een voorbeeld van een Hanzestad. In Brugge werden wollen lakens gemaakt en verhandeld. Hiervoor hadden ze wol nodig. Maar er was op een gegeven moment niet genoeg wol in Vlaanderen. Daarom importeerden zij de wol uit Londen. Londen was ook een belangrijke Hanzestad. In Nederland hadden we ook Hanzesteden. Enkelen hiervan zijn: Zutphen, Arnhem, Nijmegen, Deventer, Groningen, Hindeloopen en Stavoren. Al deze steden waren makkelijk bereikbaar over het water. Deze steden hebben allen dus een rijke geschiedenis die terug gaat tot de Middeleeuwen.

×

U kunt niet meer reageren.