Tijd van steden en staten

Het tijdvak dat we hier bespreken is de tweede helft van de Middeleeuwen. De Middeleeuwen duurden van het jaar 500 tot het jaar 1500. Op deze plaats bespreken we de periode van het jaar 1000 tot het jaar 1500. Dit gedeelte van de Middeleeuwen verdelen we ook wel onder in de Hoge Middeleeuwen en de Late Middeleeuwen. De Hoge Middeleeuwen duurden van het jaar 1000 tot het jaar 1300 en de Late Middeleeuwen van het jaar 1300 tot het jaar 1500.

In de Hoge Middeleeuwen was de bevolking van West-Europa erg gegroeid. Dit kwam omdat de boeren betere technieken hadden uitgevonden om land te ontginnen. Ook wisten zij het land vruchtbaarder te maken waardoor de oogst groter werd. De steden groeiden. Maar de pest was een grote ramp in de geschiedenis. In het jaar 1347 zijn er erg veel mensen in Europa gestorven aan de pest. De bevolking werd hierdoor erg uitgedund.

Rond het jaar 1000 had de katholieke kerk nog een grote drang om haar grondgebied uit te breiden. Dit deed ze onder andere door oorlog te voeren met de Moslims. Deze oorlogen noemen we kruistochten. Maar ook de koningen wilden hun gebied graag uitbreiden. Dit resulteerde onder andere in de Honderdjarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Deze oorlog duurde van 1337 tot het jaar 1453. Eigenlijk duurde de oorlog dus 116 jaar. Maar tussentijds was er vaak vrede. De honderdjarige oorlog waren eigenlijk dus meerdere oorlogen die bij elkaar ongeveer 100 jaar duurden. Op het hoogtepunt van de oorlog had Engeland veel gebied veroverd op het vaste land. Maar aan het einde van de oorlog verloren ze bijna alles. Uiteindelijk was Calais het enige gebied dat zij nog op het vaste land hadden.

In dit tijdvak werden er veel steden en staten gevormd. Maar deze moesten ook bestuurd worden. In het begin van de Middeleeuwen had de koning veel land uitgeleend. Hierdoor was het feodalisme ontwikkeld. Maar de geschiedenis had ook geleerd dat dit systeem niet goed werkte. Het betekende namelijk dat het land was versnipperd en werd bestuurd door heren en vazallen. De koning had weinig meer te zeggen. De koningen wilden hun grondgebied vanuit een hoofdstad regeren. Ze wilden de stukken grond die hij ooit had uitgeleend weer terug hebben. Toen de koning van Frankrijk na de honderdjarige oorlog een heel groot aaneengesloten rijk had, wilde hij deze regeren doormiddel van ambtenaren.

Er ontstond een standenmaatschappij. In deze maatschappij stond de koning bovenaan. Hieronder stond de geestelijkheid. Dit waren de mensen van de kerk. Hieronder stond de adel en helemaal onderaan stonden de burgers. De kerk had dus veel macht. De paus mocht namelijk de bisschoppen benoemen die over delen van het koninkrijk regeerden. Maar de keizer benoemde ook sommige bisschoppen.  In deze tijd was kerk en staat namelijk nog niet gescheiden. Als je kerkelijke macht had, dan had je vaak ook wereldlijke macht. Uiteindelijk kregen keizer Hendrik IV en paus Gregorius VII ruzie over het benoemen van de bisschoppen. Na vele jaren werd besloten dat de keizer geen bisschoppen meer mocht benoemen. Dit werd een taak die alleen de paus mocht vervullen.

×

U kunt niet meer reageren.